SPECIE.

   SAMENSTELLING :

        Metselspecie ( mortel ) hecht de stenen aan elkaar en vult de voegen op.
        
       
SAMENSTELLING SPECIE :

         A.  BINDMIDDEL: CEMENT.
         B.  TOESLAGSTOFFEN : ZAND.
         C.  WATER.
         D.  EVENTUEEL HULPSTOFFEN : TRAS - KALK.
        
        De cement zorgt er voor dat de specie hard wordt.
        TRAS is gemalen tufsteen en zorgt er voor dat de specie meer waterdicht en minder gevoelig voor aantasting is.

    
CEMENT :

              

         Er zijn de volgende soorten cement :

         A. PORTLANDCEMENT   voor het metselen van bakstenen en kalkzandstenen.
         B. HOOGOVENCEMENT  voor het metselen van betonstenen.
         C. PORTLANDVLIEGASCEMENT  voor het maken van beton.
         D. WIT PORTLANDCEMENT  voor het voegen van tegels en baksteen.
         E. ALUMINIUMCEMENT  voor metselwerk met een hoge verhardingssnelheid.

         Cement is eigelijk een schadelijke stof, dit komt door dat cement ALKALISCH is.
         Cement lost de natuurlijke vetlaag van de huid op waardoor de huid wordt aangetast of je eczeem krijgt.
         Draag rubberen handschoenen tijdens het metselen.

    
KALK :

         Er zijn 2 soorten kalk :

           A. SCHELPKALK.
           B. STEENKALK. 

         Kalk wordt aan de specie toegevoegd om :
  
           A. De specie veerkracht te geven, hierdoor kan de muur "zetten" zonder te scheuren.
           B. Specie met kalk is prettiger te verwerken.
           C. Kalk houdt water beter vast dan cement, dit voorkomt dat de specie in de zomer "verbrand".

   
ZAND :

       Zand is eigenlijk heel fijn grind.
       Goed zand bevat korrels van verschillende grootte.
       Het zand dat de metselaar gebruikt is RIVIERZAND ( scherpzand ).
       
   HULPSTOFFEN :

       Hulpstoffen worden toegevoegd om bepaalde eigenschappen van de specie te verbeteren.
       Zo zijn er :

         Plastificeerders : maken de specie beter verwerkbaar en en sterker.
         Luchtbelvormers : zorgen voor meer lucht in de specie waardoor deze beter verwerkbaar wordt.
         Vertragers : zorgen er voor dat de specie langzamer hard wordt.
         Versnellers : zorgen dat de specie sneller hard wordt.
         Dichtingsmiddelen : maken de specie meer waterdicht
      
        
   WATER :

        Een baksteen zuigt water op uit de specie.
        Als stenen te nat worden bijvoorbeeld door dat ze in de regen liggen, nemen ze geen water meer op uit de cement.
        De stenen gaan dan DRIJVEN, de steen gaat verschuiven in en op de specie, ook loopt de specie uit de voegen.
        Verder zal de specie niet op de stenen hechten.
        Bij regen moet je de stenen  dus afdekken.
        Moet je toch met natte stenen metselen dan moet je de specie zo droog mogelijk houden.

  
MENGVERHOUDINGEN :   

       
         

  SOORT WERK :  CEMENT:   ZAND :   KALK :
   BAKSTEEN :      
      BINNEN         1      41/5      3/4
      BUITEN         1         5       1
      WATERDICHT         1         2   
      VOEGSPECIE        3/4      41/5       1
         
   KALZANDSTEEN BINNENMUUR :       
      ZOMER :         1         9        2
      WINTER :         2         9       1
            
  KALKZANDSTEEN WATERDICHT :         8        18       1
      ZOMER :      
      WINTER :         8        18       1

      

        

 

 

 

      

 


      STERKTEKLASSEN VAN CEMENT :

       Cement dat fijn gemalen is verhardt snellen dan cement dat grof is gemalen.
       De VERHARDINGSSNELHEID van cement wordt aangegeven in 3 STERKTEKLASSEN  ( NEWTON PER MM2 )

        A.  32,5 N / mm2   Normale beginsterkte - grove cementkorrel.
        B.  42,5 N / mm2   Hoge beginsterkte - fijne cementkorrel.
      
   C.  52,5 N / mm2   Zeer hoge beginsterkte - zeer fijne cementkorrel.

      KWALITEITSAANDUIDINGEN :

       De kwaliteit van speciemortels wordt aangegeven in NEWTON PER MM2
         
We kennen M2,5 - M7,5 - M10 - M12,5 - M15 en M17,5.
       Naar hun toepassing verdeel je mortels in 5 klassen
         A. KLASSE I   : Voor waterkerend werk.
         B. KLASSE II  : Al het dragend werk in weer en wind.
         C. KLASSE III : Al het dragend werk in weer en wind niet geschikt voor bijzondere omstandigheden.
         D. KLASSE IV : Dragend en niet dragend binnenwerk.
         E. KLASSE V  : Werk waar een zetting moet worden opgenomen.

       Een veel gebruikte metselmortel is M7,5 II/III , Deze mortel is geschikt voor al dragende werk in weer en wind.
       Hiermee kun je gevelsteen en kalkzandsteen metselen.

     BEREIDING VAN DE METSELMORTEL :

       Kleine hoeveelheden speciemortel kun je klaarmaken in de metselkuip.
       Grotere hoeveelheden maak je klaar met een betonmolen.
      
       Op grote bouwwerken werkt men met PREFABSPECIE
       Deze mortel is er in 2 soorten : NAT en DROOG en wordt bereid in de cementcentrale en vervoerd naar de bouwplaats.
       In de natte prefabspecie zitten vertragers zodat deze specie enkel uren is te gebruiken voor dat hij verhardt.

       De droge pefabspecie zit eveneens in een silo.
       Wanneer men de specie nodig heeft zet men de kruiwagen er onder, drukt op een knop en de specie komt er gemengd met water uit.

      
             
       BETONMOLEN.                                                MORTELSILO.
      
     VERBRUIK :

       Om 1000 stenen te verwerken heb je nodig :
        6 zakken cement van 25KG.
        0,5 M3 zand.    
        1 zak kalk.

        of 20 zakken kant en klare metselspecie van 25KG.

      

       

       HOME                                                                                                                     VOLGENDE PAGINA
                                                                                                                                                       Gereedschappen.